Een proeftuin voor ouderenzorg

Zwolle-Oost deed de afgelopen jaren ruime ervaring op met netwerkzorg aan ouderen. Juist door met elkaar mee te kijken, kunnen zorgverleners meer betekenen voor de oudere cliënten.

De Zwolse wijk Dieze-Oost was er vroeg bij. Nog voordat de transitie in zorg en welzijn van start ging, werd hier al geëxperimenteerd met domeinoverstijgend werken. Medewerkers van verschillende disciplines vonden elkaar in 2014 in een ‘proeftuin’. In een samenwerkingsproject liepen zorgverleners met elkaar mee om te kijken hoe de ouderenzorg in de wijk op een geïntegreerde manier vormgegeven kon worden.

Alle betrokken organisaties waren van de partij: huisartsenpraktijken, wijkverpleging, maatschappelijk werk en Wmo – en in een later stadium ook vrijwilligersorganisaties en bewoners.

Veel geleerd

Gerda Brummel was een van de deelnemers aan de proeftuin. Ze is praktijkverpleegkundige bij de Geert Groote Huisartsenpraktijk in Dieze-Oost en docent Verpleegkunde aan Hogeschool Viaa.

Terugkijkend ziet ze het proeftraject als een prachtige opstap naar de huidige situatie, waarin netwerkzorg regel is geworden. ‘We kregen de kans om bij elkaar achter de schermen te kijken. Ik liep bijvoorbeeld mee met Wmo-consulent Tamara Damen, waardoor ik heel veel leerde over wonen en zorg. Ik was ook bij ‘keukentafelgesprekken’ en zag daar dat bewoners echt gewezen werden op hun eigen aandeel in het zoeken naar ondersteuning.

Daardoor ben ik me er veel bewuster van geworden dat je niet alles voor mensen hoeft op te lossen – een reflex die veel verpleegkundigen wel hebben. Het gaf zó’n inzicht in elkaars werk en het hielp ons om elkaar te vinden.’

‘Vóór 2015 waren wonen, welzijn en gezondheidszorg echt gescheiden domeinen’, zegt Tamara Damen – destijds Wmo-consulent, nu lid van sociaal wijkteam Zwolle-Oost. ‘Ik had nooit contact met de praktijk van Gerda en er werd ook geen informatie gedeeld. Nu werken we intensief samen: een verrijking voor mijn werk en ook zoveel beter voor cliënten.’ Veel hulpvragen van wijkbewoners komen bij Tamara en haar collega’s van het wijkteam binnen. Ze kan die behandelen binnen het wijkteam, maar weet ook snel een link te leggen naar huisarts, wijkverpleging en andere instanties. En andersom weten zij het sociaal wijkteam te vinden.

Korte lijntjes

Een voorbeeld laat goed zien hoe dat in de praktijk werkt. Esther Hummelen werkt in Dieze-Oost als wijkverpleegkundige en casemanager dementie. Ze werd pas ingevlogen bij de casus van ‘meneer X’. ‘De huishoudelijke hulp maakte zich zorgen en kaartte dat aan bij het sociaal wijkteam’, vertelt Esther. ‘Het wijkteam haalde vervolgens de praktijkverpleegkundige erbij. Die wist mij snel te vinden omdat er bij deze cliënt sprake was van cognitieve problematiek.

Die lijntjes zijn echt heel kort. In een paar weken hebben we al heel veel bereikt bij deze meneer, maar er zijn ook zaken waar ik me zorgen over maak. Ik vermoed financiële problematiek, maar daar heb ik weinig ervaring mee. Dan vraag ik Tamara om ondersteuning vanwege haar expertise op dat punt.’

Eens in de vier tot zes weken zitten zorgverleners uit de wijk bij elkaar in de Geert Groote Huisartsenpraktijk voor een multidisciplinair overleg. Gerda: ‘Tamara en ik zijn daarbij, de huisarts, een specialist ouderengeneeskunde en een apotheker. Zo nodig komen er ook nog andere deskundigen bij, zoals Esther of een deskundige van buurtzorg of verslavingszorg. We bespreken complexe casussen, natuurlijk alleen als de cliënt daar toestemming voor heeft gegeven. Het helpt enorm om zo’n zaak van verschillende kanten te kunnen bekijken.’

Goed afstemmen

Zit je elkaar niet regelmatig in de weg als je zo scherp langs de grenzen van elkaars werkveld laveert? ‘Nee, je hebt elkaar juist heel erg nodig’, merkt Tamara. ‘Pas had ik een casus met een mevrouw bij wie een medisch probleem speelt. Het ging om iemand die niet gemakkelijk is in de omgang. Omdat ik haar ken, kan ik haar voorstellen dat ik een keertje met de praktijkverpleegkundige kom kijken. Zo maak je het voor de cliënt zo prettig mogelijk.’

‘Je bent niet elkaars concurrent’, zegt Esther. ‘Het maakt dus in principe niet uit wie een casus oppakt, als de cliënt maar de juiste zorg krijgt. Je moet die zorg natuurlijk wel goed afstemmen. Als een cliënt andere ondersteuning nodig heeft, is het bijvoorbeeld belangrijk dat hij niet losgelaten wordt totdat een andere zorgverlener zijn zaak overgenomen heeft. Maar ik merk dat we daar allemaal scherp op letten en onze verantwoordelijkheid pakken.’

Dit artikel is verschenen in november 2017 in het magazine van het Kenniscentrum van Hogeschool Viaa.